Strategische autonomie verwijst naar het vermogen van een overheid, regio of samenleving om onafhankelijk beslissingen te nemen en te opereren op kritieke terreinen, zonder afhankelijk te zijn van externe partijen buiten haar invloedssfeer. In de Europese context gaat het specifiek over het verminderen van afhankelijkheid van niet-EU-leveranciers op gebieden als technologie, energie, gezondheidszorg en defensie.
Binnen aanbestedingen vertaalt dit zich naar beleidskeuzes die de voorkeur geven aan Europese of nationale aanbieders, of die bepaalde criteria stellen aan de herkomst, beveiliging of continuiteit van producten en diensten.
Strategische autonomie is geen directe gunningsgrond — het mag niet worden gebruikt om buitenlandse aanbieders simpelweg uit te sluiten. Maar het begrip speelt indirect een rol via:
De EU-agenda voor open strategische autonomie is de afgelopen jaren versneld door geopolitieke ontwikkelingen: COVID-19 (tekorten aan medische hulpmiddelen), energiecrisis (afhankelijkheid van Russisch gas) en halfgeleiderscrisissen. Dit heeft geleid tot nieuwe Europese verordeningen zoals de Chips Act, de Critical Raw Materials Act en de Net Zero Industry Act.
Inschrijvers die een robuust verhaal kunnen vertellen over Europese productie, beveiligde datastromen en niet-afhankelijke supply chains, spelen in op een groeiende beleidsprioriteit van opdrachtgevers. Dit is vooral relevant bij ICT, energie, zorg en defensiegerelateerde opdrachten.
Bron: Aanbestedingswet 2012
Bron: Aanbestedingswet 2012